Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB0283

Datum uitspraak2007-07-20
Datum gepubliceerd2007-07-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4401 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting.


Uitspraak

05/4401 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juni 2005, 04/986 (de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 20 juli 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.L. van der Meer, regiojuriste bij CNV Publieke Zaak, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en bij schrijven van 24 mei 2007 nadere medische informatie overgelegd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en geantwoord op een vraag van de Raad. De zaak is behandeld ter zitting van 8 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Martens. II. OVERWEGINGEN Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 10 september 2004, waarbij is gehandhaafd het besluit van 12 februari 2004 tot verlaging van de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) met ingang van 13 april 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant weliswaar door knie- en schouderklachten niet langer in staat is tot het verrichten van zijn werk voorman/begeleider in dienst van de gemeente Emmen, maar desondanks in staat is tot het verrichten van gangbare arbeid in door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties. Ten opzichte van het geïndexeerde loon als voorman/begeleider is het gemiddelde loon in die functies ongeveer 41% lager. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat de uit ziekte of gebrek voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de door de verzekeringsarts opgestelde zogenaamde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn onderschat en heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant deze beroepsgrond herhaald en zich ter ondersteuning beroepen op het reïntegratie-advies van Prové en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling. Tevens heeft appellant aangevoerd dat op 26 juli 2005 is vastgesteld dat hij lijdt aan reumatische artritis. De Raad overweegt het volgende. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de voor appellant per 13 april 2004 bestaande, medische arbeidsbeperkingen in de FML zijn onderschat. Uit de, eerst in hoger beroep overgelegde, aantekeningen van de bedrijfsarts M. van Beek-Bloemendal en de door haar ingevulde beperkingenlijst blijkt dat zij ondanks overeenkomende medische bevindingen op enkele onderdelen een iets andere inschatting heeft van de arbeidsbeperkingen in vergelijking met die van de verzekeringsarts. Deze afwijkende inschatting is in haar summiere aantekeningen niet toegelicht en is voor de Raad onvoldoende overtuigend om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts bevestigde inschatting van de beperkingen door de verzekeringsarts. Uit de nadere medische informatie blijkt niet dat appellant op 13 april 2004 (al) beperkingen ondervond als gevolg van de medio 2005 gediagnosticeerde reumatische artritis. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) A.J. Rentmeester.